Plan Zuid van Berlage
n de tweede helft van de 19e eeuw verbeterden zowel de technieken op het platteland (landbouw en veeteelt) als die in de steden (stoommachines in de fabrieken). Door de verbeterde landbouwtechnieken (bemesting en wisselbouw) waren minder arbeidskrachten nodig voor eenzelfde productie. Wie op het platteland zonder werk kwam, trok naar de stad. Aan de andere kant waren in de fabrieken in de stad meer arbeidskrachten nodig door de ontwikkeling van grote bedrijven en door mechanisatie met de stoommachine. Het gevolg was voor het eerst in de geschiedenis de vorming van echt grote steden. Ook de opening van het Noordzeekanaal (1876) bracht veel schepen en mensen naar de stad. En de Universiteit, die in 1877 het reeds sinds 1632 bestaande Athenaeum Illustre opvolgde, trok veel studenten aan die naar huisvesting zochten. Tussen 1850 en 1900 verdubbelde het aantal inwoners van Amsterdam van 250.000 naar 510.000.

Berlage: Plan Zuid, goedgekeurd door de gemeenteraad in 1917.
In rood de uitbreiding. Daarbij worden de ‘grenzen’ van Amstelveenseweg en Noorder Amstelkanaal ruimschoots overschreden.
Bron: Beeldbank Amsterdam

De bouw van woningen hield daarmee geen gelijke tred, hetgeen tot beroerde woonomstandigheden leidde, in het bijzonder voor de minder bedeelden in de bevolking. Om dat enigszins in goede banen te leiden werd in 1901 een wet aangenomen (de Woningwet) die gemeenten verplichtte om een uitbreidingsplan op te stellen.

In Amsterdam leidde dat tot de opdracht aan Hendrik Petrus (Hein) Berlage om een uitbreidingsplan Zuid op te stellen.
Zijn eerste Plan dateert uit 1904 en omvatte een gevarieerd stratenpatroon met kronkelige straatjes, veel pleintjes en groen. Dat werd echter afgewezen omdat het te weinig aan de noodzakelijke woningbouw tegemoet kwam. Berlage kreeg de gelegenheid een tweede plan te maken. Dat plan bestond uit kaarsrechte, betrekkelijk smalle straten, door enkele brede hoofdassen doorsneden. Het plan werd in 1917 goedgekeurd en er werd toen aan de uitvoering begonnen. Die uitvoering kwam echter grotendeels in handen van architecten van de nieuw ontwikkelde stijl van bouwen, die Amsterdamse School werd genoemd.

Amsterdamse School
Gewoonlijk wordt het Scheepvaarthuis aan de Prins Hendrikkade gezien als het eerste product van de Amsterdamse School architecten. Wat nauwkeuriger beschouwing van de ontwikkelingen geven een iets genuanceerder beeld.
Het Scheepvaarthuis werd gebouwd in opdracht van vijf grote scheepvaartmaatschappijen die een gezamenlijk gebouw wilden neerzetten. De architect Joan (Jo) van der Meij werd aangezocht om het gebouw te ontwerpen. Omdat dit een buitengewoon omvangrijke opdracht was, betrok hij zijn confraters Michel de Klerk en Piet Kramer al snel bij het project. Zij kenden elkaar doordat zij alle drie als tekenaar begonnen waren op het bureau van Eduard Cuypers, een neef van de bekende Pierre Cuypers die ook architect was geworden, maar niet zoveel overeenstemming met zijn oom had.

De Klerk was het 17e kind van een diamantslijper en mocht vanwege zijn talent om te tekenen naar de ambachtsschool. Sinds z’n 14e jaar werkte hij als tekenaar bij Ed. Cuypers. Zijn eerste ontwerp als architect was een bijzonder woonhuis in Uithoorn. Daarna werd hem door de bouwondernemer Hille de opdracht verleend een woningblok aan het Johannes Vermeerplein te ontwerpen. Dat staat er nog steeds, het Hillehuis genoemd, en vertoont voor de goede observator al trekjes van wat later de Amsterdamse School stijl zou worden genoemd. Hille was ook de ondernemer in de Spaarndammerbuurt die De Klerk Het Schip en aanpalende woningen liet bouwen. Toen was zijn naam gemaakt en kwamen er vele opdrachten. Het laatst die van de Bijenkorf in Den Haag. Voordat dit warenhuis kon worden ontworpen stierf De Klerk echter, 54 jaar oud. Zijn vriend en collega Piet Kramer heeft die opdracht toen overgenomen.

Kramer werd geboren in een Amsterdams artsengezin. Van 1903 tot 1913 werkte hij evenals De Klerk en Van der Meij als tekenaar op het bureau van Ed. Cuypers. Behalve architect van het Scheepvaarthuis, de Haagse Bijenkorf en een aantal villa’s, was hij ontwerper van wel tweehonderd bruggen voor de Amsterdamse Gemeentelijke Woningdienst. De bruggen werden vrijwel altijd versierd met beeldhouwwerk van Hildo Krop terwijl het hekwerk ook ontwerp van Kramer was. Hij stierf in 1961, tachtig jaar oud.
Van der Mey kwam uit Delfshaven. Ook hij werd opgeleid bij Ed. Cuypers en werkte hij bij de Gemeentelijke woningdienst, waarvoor hij o.a. de Waalsbrug, die Binnen- en Buiten-Bantammerstraat verbindt, ontwierp. Van zijn hand is ook het Hugo de Vrieslaboratorium van de Hortus, in het torentje waarvan Hugo de Vries het concept van de genenstructuur van levende wezens heeft zitten bedenken. Jo van der Mey werd gevraagd om het esthetisch ontwerp van het Scheepvaarthuis op zich te nemen, terwijl de gebroeders Van Gendt voor de constructie waren gevraagd. Zoals hun vader, A.L. van Gendt, ook de ijzer- en betonconstructies van het Centraal Station voor zijn rekening had genomen. Nadien was Van der Mey betrokken bij vele bouwwerken, bijvoorbeeld de luxe appartementen aan de De Lairessestraat 5 – 11, hoek De Lairessestraat/Jacob Obrechtstraat, woningen aan de Admiralengracht / Jan Evertsenstraat en de Hoofdweg.

Van der Mey overleed in 1949, zeventig jaar oud.
De term Amsterdamse School is voor het eerst gebruikt door de architect Jan Gratama. Hij had het over het Scheepvaarthuis en stelde voor de stijl van dit ‘Gesamtkunstwerk’ met Amsterdamse School aan te duiden. Over de architectuur en toegepaste kunst van de Amsterdamse School werd veel geschreven in het tijdschrift ‘Wendingen’. Het secretariaatsadres daarvan was Vossiusstraat 50, ook Amsterdam Oud-Zuid. Gratama was ook de oprichter van de zogenoemde Schoonheidscommissie die – hoewel geen gemeentelijk orgaan – adviseerde over het al of niet toestaan van de uitvoering van een bouwplan, een advies dat door de gemeente altijd werd opgevolgd. Die Schoonheidscommissie bestond voornamelijk uit architecten die de Amsterdamse School hoog in hun vaandel hadden staan, begrijpelijk dus dat vooral ontwerpen met kenmerken van die stijl werden goedgekeurd.
Duidelijk is derhalve dat de term achteraf werd toegekend aan bouwwerken en andere kunstuitingen. Er waren geen kenmerken die vooraf waren vastgesteld. Daaraan kan men dus niet afmeten of iets Amsterdamse School is of niet. Het gaat meer om overeenstemming met het idee dat de beschouwer in het hoofd heeft. Voor gebouwen is mijn idee: golvende lijnen, spelen met baksteen en dakpannen en vaak een sierlijk torentje dat geen echte functie heeft. Het hoogtepunt van de Amsterdamse School lag tussen 1915 en 1930. Daarna kwamen er weer nieuwe ontwikkelingen.
De waardering voor de Amsterdamse School architectuur was niet onverdeeld positief. Sommigen spraken van ‘kastelen voor arbeiders’, anderen daarentegen noemden het ‘schortjesarchitectuur’, omdat de gevels wel mooi waren, maar de woningen zelf vaak aan de kleine kant. In ieder geval is er niet alleen Amsterdamse School te bewonderen in Nieuw-Zuid en de Spaardammerbuurt. Ook in Oud-Zuid zijn fraaie voorbeelden te vinden en overigens ook in Groningen, Utrecht, Den Haag én Amsterdam-Noord.
Het Amsterdamse School Museum Het Schip, Oostzaanstraat 45 te Amsterdam, is uitgegroeid tot een mooi museum met een fraaie vaste collectie en heel goede tijdelijke tentoonstellingen.

Berlage was geen groot voorstander van de Amsterdamse School. Hij was meer van de nieuwe Zakelijkheid, waarbij het laten zien van de bouwmaterialen die zijn gebruikt een hoge prioriteit had. Hij was wel een adept van het idee van het ‘Gesamtkunstwerk’. De Beurs van Berlage is daarvan een groots voorbeeld. En dat hebben de architecten van de Amsterdamse School stijl eigenlijk wel van Berlage overgenomen.
Het is eigenlijk opmerkelijk dat de invulling van het stratenpatroon dat Berlage ontworpen heeft voor de Uitbreiding van Zuid, die al spoedig Nieuw-Zuid werd genoemd, voornamelijk door architecten van de Amsterdamse School is gedaan. Daarbij speelde de Schoonheidscommissie, zoals uiteengezet, een belangrijke rol.
En zo vinden we dus in het Plan Berlage vanaf de brug over de Amstel, die wel van Berlage is, het Victorieplein met de monumentale Wolkenkrabber van J.F. Staal, en de brede as over de Minervalaan (architecten: C.J. Blaauw, G.J. Rutgers en J.F. Berghoef), gericht op een toekomstig en nooit gerealiseerd Zuiderstation. Hoewel er wat dat laatste betreft wel weer plannen zijn het Station Zuid sterk uit te breiden. Als veelgeprezen hoogtepunt van de Amsterdamse School in Nieuw-Zuid bouwde woningbouwvereniging De Dageraad een groot woningencomplex naar ontwerp van Michel de Klerk en Piet Kramer.
 
Geef uw reacties via hjcras@gmail.com