Plannen voor uitbreiding van de stad
In het eerste kwart van de 19e eeuw verpauperde de stad en was de toegang tot de haven vrijwel dichtgeslibd (Pampus!). Er braken epidemieën uit: pokken, typhus, cholera, tering (tuberculose) en ook de syphilis teelde wierig. Wat bacteriën en virussen waren was toen nog onbekend.

Het graven van het Groot Noordhollands Kanaal (1824 geopend) bracht wel enige verbetering in de economie, maar de woonomstandigheden verbeterden absoluut niet. Geen riolering (dus alles kwam in de gracht terecht) en geen waterleiding. Veel mensen woonden in kelders of op zolderkamertjes. Anticonceptie was onbespreekbaar en de kindersterfte was enorm.

Midden in de 19e eeuw lag Amsterdam nog steeds ingesnoerd volgens de geldende regels in de 17e eeuwse stadsmuur. Daarbuiten mochten geen stenen gebouwen worden neergezet om het schootsveld tegen vijandelijke troepen vrij te houden. Natuurlijk waren er buiten de stadsmuur allerlei houten bouwsels opgetrokken en tuinderijen bloeiden overal, met name om groenten en fruit voor de stedelingen te kweken.

Maar halverwege de 19e eeuw komen er van twee kanten nieuwe initiatieven. Particulieren begonnen aan de verwezenlijking van hun eigen plannen en de gemeentelijke overheid trad ook tamelijk daadkrachtig op.

Paleis voor Volksvlijt, Vondelpark en Concertgebouw
De arts Samuel Sarphati was de initiatiefnemer van het Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein, dat gebouwd werd door Cornelis Oudshoorn en in 1864 de deuren opende. Economie en cultuur kregen krachtige impulsen. Het gebouw brandde in 1929 helaas af. Slechts de galerij bleef over, die in de jaren zestig helaas moest wijken voor de Nederlandse Bank.
Sarphati zorgde er ook voor dat uitwerpselen werden opgehaald (door de ‘Boldootkar’) en buiten de stad als kunstmest werden gebruikt. Jacob van Lennep realiseerde het idee om met een pijpleiding schoon water uit de duinen naar de stad te brengen.

Paleis voor Volksvlijt ansichtkaart, Frederiksplein na 1929 uitgegeven, 1920
Bron: Wikipedia

Voor het park dat later Vondelpark zou worden genoemd, werd door een aantal vermogende heren een ruime strook grond aangekocht. Vader en zoon Zocher ontwierpen het Rij- en wandelpark dat er uitzag als een Engels landschap. Het park werd in 1865 geopend bleef tot 1948 in particulier bezit. Toen werd het onderhoud zo duur, dat het park voor één gulden aan de Gemeente werd verkocht. Sindsdien mag je ’s avonds niet meer zonder licht in het park fietsen. Voor die tijd golden de verkeersregels namelijk in het park niet en kon dat dus wel.

Het Concertgebouw, door de befaamde architect A.L. van Gendt gebouwd, was ook een particulier initiatief en is dat tot de dag van vandaag gebleven. Van Gendt was een bekwaam en ervaren bouwmeester, maar van concertgebouwen had hij aanvankelijk geen kaas gegeten. Dat realiseerde hij zich wel degelijk en hij reisde af naar Leipzig, waar hij het gebouw van het Gewandthausorchester in zich opnam om het in Amsterdam precies na te bouwen. Voor de Kleine Zaal bleef hij dichter bij huis. Dat werd een kopie van de concertzaal in Felix Meritis op de Keizersgracht. Beide zalen worden wereldwijd als voortreffelijke muziekzalen beschouwd. Het gebouw dat in 1888 geopend werd, stond toen nog steeds op gemeentegrond van Nieuwer-Amstel, omgeven door fruitkwekerijen.

Plannen van Van Niftrik en Kalff
De Gemeente Amsterdam liet in de 19e eeuw voor de uitbreiding van de stad tweemaal een plan ontwerpen. Jacobus van Niftrik deed dat in 1867 reeds. Zijn plan beoogde een fraai stratenpatroon met veel groen, maar dat werd te duur en er zouden ook te weinig huizen in passen. Jan Kalff maakte een plan in 1877, toen extra noodzakelijk, omdat na de opening van het Noordzeekanaal een jaar daarvoor, veel mensen en activiteiten naar de stad waren gekomen. Kalff hield beter rekening met het patroon van de bestaande sloten en daardoor werd dit goedkopere, maar eenvoudiger plan aangenomen. De gemeente hield zich niet bezig met de invulling van het stratenpatroon en zo werden in allerijl in veelal smalle straten met weinig groen en kleine woningen met vaak ondeugdelijke materialen neergezet in de Dapperbuurt, de Pijp, de Kinkerbuurt en de Staatsliedenbuurt. Revolutiebouw, werd dat genoemd.

Voor een gebied dat tussen de nog niet gedempte Overtoom en de Boerenwetering lag had de gemeente echter andere plannen. Men probeerde de rijkere ingezetenen in de stad vast te houden om te voorkomen dat ze zouden vertrekken naar mooie, landelijke gebieden in het Gooi en de duinstreek. Daarom moest tussen Overtoom en Boerenwetering een stadsdeel verrijzen met fraaie huizen, veel groen en het ontbreken van stinkende grachten.
Dat had echter nogal wat voeten in de aarde, waarover volgende keer meer.
 
Geef uw reacties via hjcras@gmail.com